Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief

Delfzijl, 20-10-2021

We komen dichterbij de winter en we kunnen nu een eerste, vroege winterverwachting geven, voor de maanden november, december en januari. Onlangs schreven we op deze site al dat de volgende winter er opnieuw één met kansen is. En om maar meteen met de deur in huis te vallen: de verwachting voor de vroege winter van 2022 is voor Nederland en omgeving koud. Evenals voor de Britse eilanden, het zuiden van Scandinavië, Duitsland, Frankrijk en Spanje. Verder wordt, zoals meestal in geval van koud winterweer, een weertype verwacht dat droger dan normaal is.

Het beste vergelijkingsjaar voor de aanloop naar de winter is (schrik niet) 1962, toen vrijwel alle factoren die een rol speelden in het weer dezelfde waren als nu. Het vergelijkingsjaar dat daarna komt is 2010. De aanloop van 1962 werd gevolgd door de winter die nog steeds (samen met die van 1947) als de strengste van de vorige eeuw in Nederland door het leven gaat. Op de aanloop in 2010 volgde een koude decembermaand met heel veel sneeuw en een sprookjesachtige Witte Kerst. Daarna was het op en volgde een winter met wisselvallig en vrij zacht weer.

Seizoensverwachtingen zijn verre van volmaakt

Eerst maar even een disclaimer. De specialiteit van het maken van seizoensverwachtingen is er één die weliswaar volop in ontwikkeling, maar verre van volmaakt is. Het gaat net zo vaak fout als goed. Je hoopt ruim van tevoren een idee te krijgen van hoe het drukpatroon er in een seizoen ongeveer uit zal zien. Als je daarin in grote lijnen slaagt, is de verwachting al een succes. Over de details hebben we dan nog niet eens nagedacht. Maar het zijn wel die details die bepalen hoe het weer er uiteindelijk uitziet. En dat kan heel anders uitpakken dan je eerst misschien dacht.

Het verschil in afloop tussen de winters van 1963 en 2011 laat mooi zien hoe vrijwel vergelijkbare aanlopen toch tot een wezenlijk andere afloop kunnen leiden. Zekerheden zijn er dus niet en het is belangrijk dat we ons daardoor dus vooral ook niet op het verkeerde been laten zetten.

Vergelijking met 1962 wel spectaculair

Dit alles gezegd hebbende, is het wel heel interessant dat we in een winteraanloop zitten die zoveel lijkt op die van toen, in de jaren 1962 en 2010. In beide jaren is er een duidelijke referentie voor wat er in de winter daarna zou kunnen gebeuren. Voor meerdere generaties is de winter van 1963 het (nadien onbereikbaar gebleven) referentiepunt voor wat echt winterweer inhoudt. Die winter, die in De Bilt bijna 350 Hellmannpunten scoorde en in het noordoosten en oosten nog veel meer, eindigde met ijs op de Noordzee (tot 4 kilometer buiten de kust), de grote rivieren dichtgevroren en op het IJsselmeer een ijslaag van 80 centimeter die duizenden auto’s kon houden.

Wat zou het interessant zijn om zo’n setting nog eens in de moderne tijd mee te maken, ook om uit te vinden wat er in het klimaat van tegenwoordig dan nog mogelijk is. Voor de volgers van het klimaat in het algemeen en van winterweer in het bijzonder zou dat een droom zijn die uitkomt. Tegelijkertijd zou zo’n type winter, gelet op de energiecrisis die de wereld op dit moment in de greep heeft, natuurlijk bijzonder slecht uitkomen. De deskundigen van World Climate Service, die aan de basis van deze verwachting staan, noemen de betrouwbaarheid voorlopig ‘medium’.

Foto gemaakt door NOAA
Het koude water op de Grote Oceaan onder de evenaar (horend bij La Nina) en het warme ten westen van de VS zijn op dit plaatje duidelijk zichtbaar.

Opnieuw La Niña

Waar kijken ze naar? De basis voor de ontwikkelingen van de komende weken zit in meerdere factoren, die dit jaar op een bijzondere manier samenkomen. Van belang zijn La Niña, de koude zeestroom langs de evenaar tussen Zuid-Amerika en Indonesië die de komende winter voor het tweede opeenvolgende jaar tot wasdom komt. In combinatie hiermee is het zeewater op de centrale delen van de noordelijke Grote Oceaan juist (veel) warmer dan normaal. Dat zie je met name in een taartpunt waarvan het breedste deel zich bij Japan en het smalste deel zich aan de westkust van de Verenigde Staten ophoudt. Om die punt heen bevindt zich water dat kouder normaal is. Bij zo’n verdeling hoort een (sterk) negatieve PDO-index. Die blijft (sterk) negatief in de winter.

Wat dit jaar bijzonder maakt, is dat die tong met warm water op het noordelijke deel van de Grote Oceaan ook het (noord)westen van de VS bereikt. Dart gebeurt tijdens een La Niña vrijwel nooit, maar was wel zo in het jaar 1962. Dat warme water voor de westkust van de VS heeft het weer op het Noordelijke Halfrond dit jaar vaak naar zijn hand gezet en voorkomen dat zich een klassiek La Niña patroon instelde. Op enkele kortere perioden na is het er gewoon niet geweest.

QBO is oostelijk

Dan hebben we de QBO (de Quasi Biënnal Oscillation), een straalstroom in de stratosfeer boven de evenaar die in ruim 2 jaar tijd een periode uit het oosten en de rest van de tijd uit het westen waait. De maat hiervoor is de QBO-index. Omdat nu de oostelijke periode is aangebroken (die in de winter lijkt aan te houden) is die index nu negatief. En dat blijft hij nog een poosje zo. Verder hebben we het warme water van de Atlantische Oceaan en de zonnevlekkencyclus, waarin we nu ruim 2 jaar na het minimum zitten. Dat is een periode waarvan vanuit het verleden bekend is dat het stromingspatroon op het Noordelijk Halfrond enkele jaren makkelijker geblokkeerd raakt dan anders.

Als je naar La Niña winters kijkt, dan heb je voor het Noordelijke Halfrond grofweg twee winterpatronen. Eén patroon is dat waarin westelijke winden vanaf de Oceaan gemakkelijk Europa bereiken en wij een zachte winter hebben met soms wel vroege kou, zoals in december 2010. Het andere type is dat waarbij zo’n vroeg ingezette blokkade ook de rest van de winter domineert, en dan heb je onder meer de winter van 1963 te pakken. Blikvanger hierbij is steeds het gedrag van de poolwervel, de straalstroom hoog in de stratosfeer rondom het noordpoolgebied.

Gedrag van de poolwervel

Vaak gaat die poolwervel in winters met een La Niña al vroeg door een zwakke fase, af en toe uitmondend in vroeg winterweer. Daarna kunnen twee dingen gebeuren: of de poolwervel herstelt zich, waarna de maanden januari en februari zacht en wisselvallig verlopen (het klassieke La Niña patroon), of de poolwervel blijft de hele winter zwak. Dat is het patroon dat tot een geblokkeerde La Niña winter leidt. Omdat dit klassieke La Niña patroon de afgelopen 12 maanden zoveel moeite heeft gehad om erdoor te breken, en de factoren die hierbij een rol hebben gespeeld ook in de komende winter van de partij zijn, kiest WCS in de komende winter voor het geblokkeerde scenario.

Dit betekent dat we in de loop van de maanden november, december en januari een weertype moeten gaan krijgen met vaak hogedrukgebieden in het hoge noorden. Dat kan zowel in de buurt van IJsland en Groenland als boven Scandinavië zijn. met winden vaak uit richtingen tussen noord en oost en kansen op enkele uitbraken van arctische lucht. Is de wind noordelijk, dan kan het regelmatig tot neerslag (sneeuw) komen (zoals ook in december 2010), heeft de wind meer een oostelijke component, dan is het vaker droog en kan ook de zon er mooi doorkomen.

Risico’s

Risico’s zijn er ook. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de poolwervel, die nu een zwakke fase ingaat, zich in de novembermaand herstelt, leidend tot een herstel van de westcirculatie op termijn met dan een toenemende wisselvalligheid en een doorbraak van zacht weer. Een ander risico is het doorbreken van een scenario a la de winter van 1963, met een langdurig geblokkeerde situatie en in dat geval bijzonder koud winterweer in een groot deel van Europa. De kans op een doorbrekende westcirculatie wordt vooralsnog op 25 procent ingeschat, de kans op het koudste scenario op 20 procent. Het hiervoor beschreven scenario heeft 55 procent kans, zo denkt WCS.

De definitieve winterverwachting volgt overigens eind november.

Bron: weer.nl