Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Weercursus Jules Geirnaerdt - Wolken en wind

7. Wolken en Wind.

Op de wereld is het ongeveer half bewolkt. Waarom dat is, blijft een vraag. Waarom is het niet 2/3 bewolkt of 3/4? Het zal wel een raadsel blijven. Misschien omdat er evenveel lage- als hogedrukgebieden zijn.

Wolken.

Het voorspellen van wolken is een hekele kwestie, omdat de kwaliteit van het weer er sterk vanaf hangt. Hoewel een bewolkte dag ook zijn charme kan hebben, vooral als je zonne-allergie hebt. In de winter komen vaak bewolkte periodes voor van 4 of 5 dagen. De suggestie dat je daar depressief van wordt is niet helemaal waar. Zelfs op een bewolkte winterdag is er ruim voldoende daglicht om ons gemoed op peil te houden. Het is vooral in kantoren en in huis dat er te weinig daglicht is. Een wandelingetje of de boodschappen doen op de markt doet wonderen. Pas als u in de buurt van de poolcirkel woont, wordt het ontbreken van daglicht in de winter een medisch probleem.

Maar nu de wolken bij ons. Er zijn 2 soorten wolken.
1. Wolken door convectie. De bekende stapelwolken.
2. Wolken rond een depressie.

Stratocumuluswolken vanaf zee zijn in principe wolken uit convectie, die overblijven omdat er licht convergentie in het windpatroon is. Mochten er een licht anti cyclonaal patroon zijn of komt de wolkenpartij stil te staan, dan zullen stratocumuluswolken oplossen. En vaak is dit het geval. Niet de stratocumuluswolken zijn hardnekkig, maar het luchtdrukpatroon! Als de atmosfeer stil zou komen te staan, dan zal de meeste bewolking oplossen of hun waterdamp verliezen door neerslag. ("Vocht" in de atmosfeer is niet geheel juist. Je hoort het vaak, maar in feite is een vochtige luchtsoort rijk aan waterdamp, niet aan vocht. Vocht zit in oude huizen op de muren).

1. Wolken door convectie zijn uit het radiosonde-diagram te bepalen. Zelfs de mate van bedekking kan bepaald worden.
2. Wolken rond een depressie en gebieden tussen hoge- en lagedruk in kunnen bepaald worden met behulp van modelberekeningen. Een goede regel is dat bij een vochtigheid van 70% er kans is op bewolking of gedeeltelijke bewolking. Bij een vochtigheid van 95% of meer is er grote kans op neerslag. Per niveau kan dan bepaald worden wat het wolkenpakket zal zijn. Kijk op www.wetteronline.de of www.weeronline.nl. Op middelbaar niveau is tevens makkelijk te zien waar fronten liggen, met name op 700 millibar (Altocumulusniveau).

600 – 3000 meter – Stratocumulusniveau.

Om de hoeveelheid sluierbewolking te bepalen, moet u kijken waar de straalstroom ligt. Ten zuiden daarvan is sluierbewolking oftewel cirrus, tot aan het punt waar vrijwel geen stroming meer is.

 

Wind.

Dé wind is de gemiddelde wind over 10 minuten, op 10 meter hoogte. Windstoten zijn de windvlagen gemiddeld over 1 minuut, de reden waarom lokale windstoten meestal wat hoger uitvallen.

De gemiddelde wind (in knopen) is 0,5 maal de geowind. Geowind is evenredig aan de afstand van de isobaren. Boven zee is de factor 0,7. De wind die u in de computerberekeningen ziet, houdt rekening met land/zee-effecten.
• In de bocht bij een hogedrukgebied: 10- 20% erbij.
• In de bocht bij een lagedrukgebied: 10-20 % eraf!
• Rondom een storm: 30% eraf.

De werkelijke wind hangt af van de stabiliteit, ofwel het temperatuursverschil tussen de grond en 100 meter. Windstoten zijn factor 1,3 x regionaal heersende wind.

De reden waarom het bij een hogedrukgebied relatief harder waait, is dat de wind daar "uit de bocht vliegt". Bij een lagedrukgebied is het omgekeerde het geval. Daardoor staat er rond een depressie relatief minder wind en het is de reden waarom het rond een storm vaak wat minder hard waait dan het isobarenpatroon aangeeft.

De wind is op hoogte sterker, omdat hij daar minder remming van het aardoppervlak ondervindt. Op een hoogte van 1000 meter zal de wind geen remming meer ondervinden van het aardoppervlak. De wind waait daar gelijk aan de richting van de isobaren. Aan de grond maakt de wind een hoek van 20¬-40 graden met die isobaren. Altijd in de richting van het lagedrukgebied.

Bij het passeren van een lagedrukgebied gebeurt er nog iets bijzonders:

Isallobarische wind.

Mocht een depressie snel passeren en nadert een hogedrukgebied snel, dan zal er een overschot aan luchtdruk komen. Dit geeft extra druk op het luchtdrukpatroon, dat daar nog niet op is aangepast. Deze luchtdrukaanpassing geeft windstoten naar alle richtingen, vanuit het centrum waar de luchtdruk het sterkst stijgt.

 

Hierboven is de rode cirkel links goed voor 3 mbar stijging per 3 uur. Luchtdrukverandering op de weerkaar wordt aangegeven in millibar per 3 uur.

Als regel geldt:
1. Is er een luchtdrukverandering van 6 mbar per 3 uur, dan geeft dit 1 Bft. extra wind!
2. De fase van extra wind duurt meestal 2 uur en komt voor nadat een koufront 3-4 uur is gepasseerd.