Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Weercursus Jules Geirnaerdt - Verwachtingstechnieken

5. Verwachtingstechnieken.

Het voorspellen van het weer (u mag ook "verwachten" gebruiken) is nog niet zo eenvoudig als het lijkt. Slaan we er een slag naar, kijken we naar de molshopen, of pakken we het weerspreukenboek?

De laatste 2 mogelijkheden kan natuurlijk altijd, maar wilt u per dag succes hebben, dan zult u toch een zekere theorie moeten hebben. Molshopen of weerspreuken kunnen best een voorspellende waarde hebben, maar niet in alle situaties. Bovendien is er soms geen ochtendrood om je aan vast te houden, of iets dergelijks.

Het weer bestaat uit 3 elementen, te weten temperatuur, vochtigheid en wind. Om 1 van die drie te voorspellen, moet je kijken naar 2 dingen:
1. Aanvoer van een andere luchtmassa.
2. de veranderingen ter plekke zoals buien- of mistvorming.

Mijn weer voor morgen is: . .
1. Verandering ter plekke
2. Aanvoer

∆T = δT + V x T

Meer heb je eigenlijk niet nodig. Kijk dus naar de aanvoerrichting en bedenkt wat er onderweg nog kan gebeuren. Als er een noordwestenwind is, zal het niet ineens heel droog en schraal worden. Als er een oostenwind is in het voorjaar, zal niet direct warmere lucht worden aangevoerd maar door de zonnestraling zal er wel een zekere opwarming plaatsvinden.

De computer doet in wezen niet anders. Die bekijkt op alle niveau' s wat er gebeurt en berekent met de wind en de theorie. Maar dat is voor ons te moeilijk, daar hebben we de tijd niet voor. Een van de eersten die dat wel dacht te kunnen was Lewis Richardson. Deze Engelsman bedacht in 1922 een systeem om de toekomstige toestand van de atmosfeer te berekenen. Het was echter zo bewerkelijk, dat hij 20.000 mensen nodig zou hebben om het weer alleen maar "bij te houden". Hij had zijn idee bij de overheid ingediend, maar het werd niet gehonoreerd. Later kon Richardson nog de eerste computerberekeningen in de jaren '50 meemaken.

Wij zullen het moeten hebben van de “conceptuele modellen”. We bekijken de beweging van depressies en hogedrukgebieden, die zich aan bepaalde regels houden. De straalstroom houdt zich meestal op onder het grootste wolkendek en aan de hand van de vorm van dat wolkendek kan meteen de beweging worden afgeleid. Voeg daarbij de grondkaart en we weten ongeveer wat voor weer en bewolking eraan komt. Althans op korte termijn. Ook de buienradar is handig.

 

Temperatuursverwachting.

Temperatuur is misschien nog wel het makkelijkst te verwachten van alle elementen. In de aanvoerrichting is de temperatuur (maximum en minimum) bekend. Als het in Berlijn vandaag +5 is en de wind is oostelijk, dan zal het bij ons morgen ook ongeveer +5 worden. Of er moet een sneeuwdek zijn of juist niet. Maar in principe probeert de temperatuur die van de vorige dag te herhalen. In de zomerperiode zal er wat bijkomen, in de winter zal de temperatuur dalen, mocht de wind uit het oosten komen. Bij een westenwind zal het kwik proberen om de temperatuur van het zeewater te verkrijgen. Bij een matige tot krachtige westenwind zal het nooit vriezen. Het dauwpunt (dat is de temperatuur waarbij de lucht 100% vochtig zal worden) is hetzelfde als in de aanvoerrichting wordt aangegeven.

Natuurlijk hebben we ook de berekeningen van de computer, en daarbij is de temperatuur van 850 millibar (dat is ongeveer 1500 meter) een handig hulpmiddel. Als het bewolkt is, is het maximum 10 graden + de temperatuur op 1500 meter. In de winterperiode kan gesteld worden dat een eerste aanzet voor het maximum 10 graden boven de 850-temperatuur ligt bij een noordwesten- of westenwind, en bijna gelijk is aan die 850¬temperatuur als de wind uit het oosten waait.

 

Uit het radiosondediagram kan ook de maximumtemperatuur worden bepaald. Makkelijk als de lucht bijna stilstaat. We doen dat met de "Gold-laag". Dit is de dikte van de onderste laag van de atmosfeer, die kan worden opgewarmd. In de winter is die dikte zo'n 60 mbar, in de zomer zo'n 120 mbar. Middel daartoe de temperatuur in die laag en trek een lijn naar de grond. De maximumtemperatuur is dan eenvoudig af te lezen. Deze methode was vroeger zeer belangrijk, maar we hebben bij sommige modellen nu ook directe maximumberekeningen. Maar U kunt het eens proberen. Het geeft vat op het proces van opwarming door zonneschijn. Het principe van deze "Gold¬laag" is immers een natuurkundige methode en niet onderhavig aan discussie en speculatie.

Beweging van depressies en de straalstroom.

Goed, we kunnen op de computer aflezen waar depressies komen te liggen, maar de werkelijkheid haalt berekeningen altijd in. Het is handig om satellietfoto's te gebruiken om de beweging van depressies af te lezen.

En dat kan. Er zijn 3 handige regels:
De straalstroomrichting is gelijk aan de richting van:
1. de isobaren in de warme sector.
2. De straalstroom ligt op de scheiding van het cirrusscherm en de opklaringen.
3. De straalstroom gaat recht over het occlusiepunt. Daar waar de sterkste luchtdrukdaling optreedt.

We kunnen hiermee snel zien of een depressie snel nadert of niet, ook zonder berekeningen! Een langgerekt cirusscherm duidt op een snellopende depressie, een kort scherm op een langzaam lopende depressie.

Verplaatsingsrichting algemeen.

In het algemeen zullen depressies eerst van west naar oost trekken en dan naar noordoost of zelfs noord. In het voorjaar en najaar willen depressies nogal eens rechtdoor naar het oosten gaan, maar ook dan is dat zeldzaam.

Een ander verhaal is het als depressies uit Frankrijk komen. Die zullen vaak zuid-noord trekken, of zelfs van zuidoost naar noordwest. En dit ook onverwacht. Ieder voorjaar komen er enkele onverwachte regendagen voor, en ook in het najaar van 2003 waren er een aantal gevallen. Eén van de modellen die dit het best voorspelt, is het Amerikaanse AVN-model of MRF-model. Neem in deze twijfelgevallen in het voorjaar altijd het model wat het meeste regen geeft.

De reden van dit verschijnsel is overigens, dat het land in deze periode even warm of iets warmer dan het zeewater. In andere woorden: de atmosfeer voelt geen verschil tussen zee en land, en depressies kunnen ook boven land nog ontwikkelen. De computer onderschat dit vaak, vandaar dat er vaak onverwacht regen valt. In Amerika zijn deze storingen aan de orde van de dag en zij hebben hun berekeningen daar min of meer op afgestemd.

In de winter is het continent koud en depressies zullen zich niet verder ontwikkelen en afbuigen naar het noorden. De uitspraak van: "Als deze situatie in de winter zou komen", met een storing uit het zuiden en een zwakke noordenwind, is dan ook onzin. Het gebeurt niet in de winter. De enige keer dat een depressie met veel regen en sneeuw wel rechtdoor het continent op ging was het 13 en 14 februari 1979. Dat was een toevalstreffer. Het is een bekende fout, om te denken dat specifieke weerkaarten in elk seizoen kunnen voorkomen.

Fronten.

Dan nog iets over fronten. We hebben kou- en warmtefronten, en occlusies. Hoe actief zijn die fronten en hoe verhouden die zich tot elkaar? Wel, koufronten zijn in de regel actiever dan warmtefronten. Tenminste, in onze omgeving want in wezen is er geen verschil. Ook bij warmtefronten kan onweer voorkomen. Maar meestal gaat aan een koufront een warme periode vooraf die buien intensiveert. Warmtefronten geven in de regel meer regen, zeker bij een westelijke stroming. Bij warmtefronten is meer kans op sneeuw, ijzel en ijsregen. Bij koufronten is meestal regen.

Occlusies zijn aparte gevallen. Er is weinig scheiding tussen luchtmassa' s, wat de kans op sneeuw groter maakt. Occlusies gaan vaak langzamer, doordat de straalstroom ten zuiden ligt. Vaak gaan occlusies ook langzamer dan de modellen aangeven. Neerslag is bij en rondom occlusies licht of gematigd.

Verder is er nog een trog-front. Dit is in feite niets anders dan een periode met verhoogde buiigheid. Een trog komt een periode van 6 tot 12 uur na een koufront als een depressie aan het passeren is. Cluster- of groepsbuien zijn vaak het kenmerk, soms ook vergezeld gaand van storm.

Hogedrukweer.

Rondom een hogedrukgebied is het vaak rustig weer. Er zijn geen fronten en er is geen storm. Dat hogedrukgebieden krachtig zijn is niet helemaal waar. Lagedrukgebieden zijn even krachtig, de kracht van hogedrukgebieden uit zich vooral in de periodes van blokkades: dan is een hogedrukgebied dominant op de weerkaart en depressies zijn klein en bevinden zich op de rand van de kaart. Het is ook subjectief: mooi weer kan standvastig zijn, maar buiig weer is hardnekkig! Een standvastige depressie klinkt ook niet zo lekker. Enfin. Hogedrukgebieden zijn gewoon tegenhangers van depressies. De atmosfeer is altijd bezig met gaten te vullen, en als dat te krachtig gaat is er een hogedrukgebied.

Belangrijk is de bewolking rond een hogedrukgebied, en hardnekkige mist of nevel. Mist is vooral een zaak van vochtigheid en temperatuur, bewolking kan aan de randen van hogedrukgebieden oplossen.

 

Hogedrukgebieden kenmerken zich vooral door een anticyclonaal patroon van de wind. De lucht gaat daar met een bocht doorheen en de bewolking wordt als het ware "uit elkaar getrokken". Zie de bijbehorende afbeeldingen. Is de stroming recht of zelfs naar elkaar toe, dan zal laaghangende bewolking de neiging hebben om zich te handhaven of toe te nemen. Middelbare of hoge bewolking is er rond een hogedrukgebied meestal niet. Staat een hogedrukgebied enkele dagen stil, dan is er vaak wel wat sluierbewolking. Soms wordt dat verward met weersveranderingen.