Gebruikerswaardering: 1 / 5

Ster actiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Weercursus Jules Geirnaerdt - Hoe werkt het weer?

3. Hoe werkt het weer?

Hoe gaat die ontwikkeling van stilstaande atmosfeer naar het patroon met hoge- en lagedrukgebieden en stabiele zones, en buien en zonnige gebieden?

Denk nog eens aan de platenspeler en bedenk daarbij dat er kleine gebieden zijn met hoge en lage luchtdruk. Wind zal uit de hogedrukgebieden waaien, naar alle kanten. Maar steeds wordt de lucht naar rechts afgebogen. Tot slot ontstaat er een circulatie rond het hogedrukgebied. Tenminste, als de wind niet geremd wordt, en bij het aardoppervlak is dat natuurlijk het geval. Als de wind niet geremd is, zal hij precies rond het hogedrukgebied waaien. We noemen dat geostrofie. Rond een lagedrukgebied is het andersom. Wind waait naar de kern van het lagedrukgebied (althans dat probeert hij) maar door de draaiing van de aarde zal hij om het lagedrukgebied heen gaan waaien. Dit tegen de wijzers van de klok in. Mocht u op het zuidelijk halfrond wonen, dan kijkt u "tegen de onderkant van de platenspeler" en zal de wind rond een depressie met de wijzer van de klok meedraaien. In de bovenlucht waait de wind bijna gelijk aan de isobaren (of de hoogtelijnen), aan de grond waait de wind lichtjes "uit" het hogedrukgebied en "naar de depressie toe".

Op naar een actief lagedrukgebied.

Bekijk een stilstaand front zonder bijzondere lagedruk of hogedruk in de buurt, bijvoorbeeld boven de oceaan. Dit is het grondfront, waarbij kou langzaam van pool naar evenaar probeert te gaan (uiteraard is ook de zeewatertemperatuur van belang, maar dat ligt in elkaars verlengde). In de bovenlucht ligt de overgang van warm naar koud noordelijker, zodat de straalstroom een stuk ten noorden van het grondfront ligt. Eens begon de straalstroom ook gewoon van zuid naar noord te waaien, maar door de draaiing van de aarde moet deze van west naar oost. Ofwel: de hogedruk rechts houden.

 

"Er was eens een straalstroom" is wel een goede uitspraak, maar slaat de spijker niet helemaal op de kop. De straalstroom is een gevolg van temperatuursverschillen en de draaiing van de aarde. Anders gezegd, de straalstroom gaat niet zomaar zijn eigen gang.)


Kleine depressies proberen groot te worden, en zullen rond het front een kleine circulatie op gang brengen. Aan de voorkant van de depressie wordt meer warme lucht naar het noorden gestuurd en dit versterkt daar de straalstroom. Aan de achterkant word koude lucht naar het zuiden gevoerd en ook daar wordt de straalstroom versterkt. Bovendien komt de straalstroom in de richting zuidwest-noordoost te liggen. De depressie zal die koers volgen (hoewel die door haarzelf is veroorzaakt!). Bij voldoende temperatuurstegenstellingen zal de depressie uitdiepen en de straalstroom uit zichzelf versterken. Er komt nu een duidelijk patroon met kou- en warmtefront, en isobaren. De tegenwerking van de ontwikkeling is, dat de wind naar het lagedrukgebied toe probeert te waaien, waardoor de ontwikkeling en uitdieping geremd wordt. Ook spontaan kan de ontwikkeling tot stand komen en het front terugvallen in de oude positie.

In het volwassen stadium van de depressie zal er naast kou- en warmtefront ook een "occlusie" zijn. Dit is het stadium waar de fronten elkaar hebben ingehaald. De occlusie verplaatst zich langzaam en zal niet zo actief zijn als het kou- en warmtefront. Verder is er een groot gebied met isobaren rond de depressie.

 

De straalstroom loopt in dat gebied overigens altijd over het kruispunt van kou-, warmfront, en occlusie. Dit punt heeft het occlusiepunt en is het meest actieve deel van de depressie. Het waait en regent er hard, het zicht is er slecht, en de luchtdrukdalingen zijn er het sterkst. Verder is de "warme sector" bekend. Dat is die taartpunt onderaan de depressie, tussen warmte- en koufront in. Het zicht is daar matig, het waait stevig en constant, en er is vaak motregen. Het bekende druilerige weer is vrijwel altijd in de warme sector te vinden.

Als er een occlusie is, is de depressie-ontwikkeling in principe over het hoogtepunt heen. Aan de noordkant stroomt nu vrij zachte lucht om de kern heen, en de straalstroom achter de depressie zal uiteindelijk niet sterker worden. Wel kan er nog storm aan de linkerzijde van de depressie zijn, dat heeft dan te maken met extra buiigheid en een extra "duw" van het aankomende hogedrukgebied. Daarover meer in het hoofdstuk "Wolken en Wind". Het is nu een kwestie van enkele dagen dat de depressie gaat opvullen. Zij heeft haar taak vervuld: aan de voorkant is extra warmte naar het noorden getransporteerd, in het zog is koudere lucht richting evenaar gegaan. Dat wij ondertussen regen en storm hebben gehad, is van minder belang. Hoewel een doorwaaidag ook geen kwaad kan.

Fronten kunnen soms 3000 km lang worden en in een mooi en duidelijk patroon op de weerkaart liggen. Dat is vooral rond die 40e-60e breedtegraad. In het Middellandse Zeegebied zijn fronten wat minder duidelijk. Vaak splitst een stuk van de straalstroom af naar het zuiden, waar boven de Middellandse Zee ook lagedrukgebieden ontstaan. Het bijbehorende wolkenpatroon is minder klassiek, maar de bewegingswetten zijn hetzelfde. Dit geldt niet voor het tropische weer, wat zich kenmerkt door groepen met buien en kleine lagedrukgebieden die zich langzaam verplaatsen. Ook het polaire weer kent zijn eigen karakteristieken, die meestal onafhankelijk van de straalstroom zijn. Want die is daar afwezig. Het ontstaan van een "polar low" heeft ook niets met de straalstroom te maken, integendeel.

 

Op de gematigde breedten zijn er in de regel 3-6 grotere depressies op 1 halfrond. Op het noordelijk halfrond meestal wat meer, op het zuidelijk halfrond meestal wat minder. Zie de figuren. Het aantal koppels van lagedruk-hogedruk op 1 halfrond noemen we het "golfgetal".

Merk ook op dat de werking van het weer iets anders is dan de bekende watercyclus, die bepaalt hoe water verdampt uit zee en neerslag op land en dan weer terugvloeit naar de zee.