Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Weercursus Jules Geirnaerdt - Buien, onweer en windstoten

8. Buien, onweer, en windstoten.

Buien ontstaan als de lucht voldoende onstabiel en er voldoende waterdamp in de lucht is. Er zijn een aantal types van onstabiliteit:

• Conditionele onstabiliteit: als er temperatuurverschil is. Buienconvectie treedt dan op bij voldoende vocht en of convergentie.
• Latente onstabiliteit: als er door opwarming door de zon convectie kan optreden.
• Potentiële onstabiliteit: Als door stijgende beweging convectie optreedt > Clusterbuien, zwaar onweer.

De eerste 2 zijn vrijwel hetzelfde. Als er gemeld wordt dat de lucht "onstabiel" is, wordt bedoeld dat er buien kunnen ontstaan. In werkelijkheid is de lucht in het zomerhalfjaar in de dagperiode vrijwel altijd onstabiel is. Als er geen wolken ontstaan is het vaak vlagerig en er is dan droge convectie of droge onstabiliteit.

 

Potentiële onstabiliteit geeft aan of een luchtmassa onstabiel is als er een front nadert of wanneer een luchtmassa een warmtefront nadert. In deze gevallen wordt de hele luchtmassa geforceerd om op te stijgen en daardoor kan er onweer ontstaan. Er dan vaak sprake van matige tot zware onweersbuien met veel regen en frequente bliksems. Ook nachtelijk onweer is hier vaak een voorbeeld van. Potentiële onstabiliteit komt vrijwel alleen in de warme sector voor.

Deze vorm van onstabiliteit kan afgelezen worden aan de "Lifted index" (de naam zegt het al een beetje). Is dat getal onder nul, dan is er kans op onweer, als het tenminste tot buienvorming komt. Hiernaast de Lifted Index van 2 juni 2003. Bij Limburg is het -5! Dat is erg laag en onweer kan zwaar zijn.

Buiten de warme sector komen zwaardere buien vooral voor als de temperatuur in de bovenlucht laag is. Is het temperatuursverschil tussen het aardoppervlak en die op 500 millibar 40 graden of meer is, dan kan onweer optreden. Dit geldt vooral voor de winterperiode, in de zomer is het temperatuursverschil meestal hoger. Dan is het een zaak of er voldoende waterdamp aanwezig is, en of de lucht naar elkaar toe beweegt.

Verder hebben we nog de bijzondere situatie van het "polar low". Dit is een polair lagedrukgebied, een klein en koud broertje van een tropische cycloon. Een polar kan ontstaan bij:

• 500 millibartemperatuur van -41 of lager.
• Bij afwezigheid van fronten.
• Bijna in de kern van bovenlucht-depressie.
• Bij niet teveel grondwind!
• Bij weinig windverschil tussen grond en bovenlucht.
• Bij Temp (850) van -11 of lager!

Volledige polar lows komen aan de Nederlandse kust 1 of 2 keer per 10 jaar voor. De bekendste is die van 2 januari 1979.

Hagelgrootte.

• CAPE tot 500: hagel waarschijnlijk bij onweer, grootte tot 2 cm.
• CAPE 1000 of hoger: hagel tot 5 cm.
• CAPE hoger dan 2000: hagel tot 8 cm kan. (Elburg, juni 1998)
• CAPE 3000: limiet voor Nederland.

CAPE staat voor: "Convective Available Potential Energy".

 

Het is een maat hoeveel energie er vrij kan komen bij een bui. De mogelijke grootte van hagelstenen is direct afhankelijk van de sterkte van de stijgstroom, en dus van de opgepotte energie. Ook de kaart hier links is van 2 juni 2003.

Windstoten.

Tot slot van dit hoofdstuk nog enkele regels over de kracht van de windstoten.
• Bij buienlijn uit zuidwesten: temperatuursverschil van 10 graden > kans op windstoten van 100 km per uur.
• Bij losse buien: de sterkte van de wind op 850 millibar.
• Bij Cape boven de 1000: 100 km per uur.
• Bij lichte windhozen: 120-150 km per uur.
• Bij zware windhozen? Tot 250 km per uur in Nederland?