Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief

Delfzijl, 5-11-2020

Het is herfst in Nederland en we zijn in een fase met bijzonder rustig weer terechtgekomen. De afgelopen nacht bij voorbeeld vroor het op veel plaatsen in het oosten, zuiden en zuidoosten van het land. Ell in Limburg was de koudste met -1,7 graden en aan de grond -3,8 graden. Nu er weinig wind is en het in de nachten opklaart, horen we ze vaak weer terug; de termen dauw, nevel, mist, rijm, rijp en ruige rijp. Voor iedereen die het wil bijhouden, is hier een handboekje.

De lucht waarin wij met z’n allen leven, bestaat uit allerlei bestanddelen. Zuurstof is voor ons heel belangrijk, want daar leven we van. Het maakt ongeveer 21 procent van de lucht uit. Verder hebben we stikstof en dat is zo’n beetje de rest van de lucht. Toch zitten er – een beetje afhankelijk van op welke hoogte in de atmosfeer je je bevindt – ook andere bestanddelen in de lucht. Op leefniveau kun je denken aan broeikasgassen, zoals kooldioxide en methaan. Ga je wat verder omhoog, naar ongeveer 20 kilometer, dan kom je relatief veel ozon tegen. Je zit dan in de ozonlaag. Een gas dat overal in de atmosfeer in wisselende hoeveelheden aanwezig is, is waterdamp. In het weer is waterdamp erg belangrijk.

Waterdamp is water in zijn gasvorm. Onzichtbaar dus, maar wel aanwezig. Hoe warmer de lucht is, hoe meer waterdamp – water in zijn onzichtbare vorm dus – erin past. Nu is Nederland een echt waterland, dus is de aanvoer van waterdamp bij ons het hele jaar door min of meer gegarandeerd. De zeeën, meren, rivieren en plassen staan continu te dampen. Vaak merk je weinig van waterdamp, totdat de temperaturen van de lucht veranderen. In het weer komt water in Nederland het hele jaar door in alle drie zijn fasen voor: in de gasvorm dus, in vloeibare vorm (water) en in zijn vaste vorm (ijs). Het hele jaar door ook verandert water, als een reactie op temperatuurveranderingen, van fase.

Zo kan het van vloeibaar naar gas gaan. Die overgang noemen we verdampen. Het kan ook van vloeibaar naar vast gaan; dan spreken we van bevriezen. Als water in zijn vaste vorm naar vloeibaar gaat, spreken we van smelten of dooien. Gaat het van zijn gasvorm naar de vloeibare vorm, dan heet dat condenseren. Water in zijn vaste vorm kan ook direct in gas overgaan; dat noemen we verdampen. En water dat van zijn gasvorm direct naar de vaste vorm overgaat, sublimeert of verrijpt. Al die overgangen hebben we in het weer.

Verdamping
Water dat verdampt, gaat van zijn vaste of vloeibare fase in zijn gasvorm over. Boven wateroppervlakten komt voortdurend waterdamp vrij. Als het net geregend heeft en de zon schijnt op de natte grond, dan zie je die snel opdrogen. Het vloeibare water gaat in de gasvorm over en vervliegt. De grond wordt weer droog. Ook ijs en bij voorbeeld sneeuw verdampen. Als er in de winter eens een heel dun, luchtig laagje is gevallen, kan dat ook op dagen zonder dooi toch verdwijnen. Het verdampt of het ‘vriest weg’.

Condensatie
In koude nachten daalt de temperatuur. De lucht kan dan minder waterdamp, water in zijn gasvorm dus, bevatten. Zit er wel veel in, en dat is in Nederland vaak zo, dan condenseert een deel van die waterdamp. Het water in zijn gasvorm wordt dan (deels) vloeibaar. Het kan in allerlei vormen zichtbaar worden die we maar al te goed kennen.

Dauw
Dauw ontstaat als er heel weinig wind is. De condenserende waterdamp slaat op alle mogelijke vormen van objecten neer. Gras wordt nat, dat geldt ook voor bladeren. Op auto’s komt water te zitten. Was die aan de lijn hangt wordt vochtig. Er zijn plaatsen op aarde waar de enige aanvoer van water in de vorm van dauw gebeurt. Op die plaatsen worden wel dauwvangers ingezet en in Zuid-Amerika is er een bier dat van dauw wordt gebrouwen.

Nevel, mist en wolken
Condensatie wordt, als het nog wel een klein beetje waait, zichtbaar als kleine druppeltjes in de lucht. Zijn het er maar relatief weinig en ligt het zicht tussen 1 en 10 kilometer, dan wordt van nevel gesproken. Lopen de zichten verder terug en komen ze onder 1 kilometer terecht, dan spreken we van mist. De druppeltjes, zoals ze in de lucht hangen, kunnen vooral in oudere mist ook groter worden. Als ze dan bij voorbeeld tegen takken of bladeren botsen, dan beginnen die te druppen. Onder bomen kan het behoorlijk nat worden. Worden ze nog wat groter, dan valt (lichte) motregen. We hebben dan mist met motregen.

Lucht die in de atmosfeer opstijgt, koelt af. Ook daarbij kan het tot condensatie komen. Gebeurt dat op grotere hoogte in de atmosfeer, dan zie je daar wolken ontstaan.

Rijm
Rijm ontstaat als waterdamp op een kouder object condenseert en daarna bevriest. Het is de laag ijs met ijsbloemen erin die soms in de vroege ochtend op je auto aantreft en die er maar lastig af te krijgen is. Rijm ontstaat vaak aan de randen van de winter, als de temperatuur van objecten pas in de loop van de nacht onder nul komt en de condensatie van waterdamp al begint voordat die temperaturen onder nul een feit zijn. Er ontstaat dan ijs.

Rijp
Rijp ontstaat als waterdamp onder invloed van temperaturen onder het vriespunt direct van de gasfase naar de vaste fase overgaat. Dit gebeurt vaak middenin de winter. Het slaat dan als rijp op je auto, het gras, takken, bladeren en andere objecten neer. Rijp is ook ijs, maar dan van een variant die veel makkelijker van je auto te schrapen is. Na een nacht met rijpvorming ziet de natuur er in de ochtend vaak licht winters en wit uit.

Ruige rijp
De mooiste vorm van rijp is die, die in nachten met temperaturen ruim onder nul en mist ontstaat. De mistdruppeltjes zijn dan meestal nog vloeibaar, maar wel onderkoeld. Zodra ze ergens tegenaan botsen, vriezen ze vast, ook aan elkaar, en ontstaat en prachtige vorm van rijp, die heel dik op de bomen kan komen te zitten. Kijk je er goed naar, dan zie je allemaal draadjes van rijp die blijven groeien zolang de mist en vorst aanhouden. Dit kan fenomenale plaatjes in de natuur opleveren en komt ook in de Nederlandse winter geregeld voor.

Als een mistlaag wat ouder wordt, bestaat de kans dat een deel van de mistdruppeltjes bevriest en sneeuwvlokken vormt. Vaak valt dan (lichte) motsneeuw, maar er zijn ook in Nederland situaties bekend waarin het echt sneeuwde en een centimeters dikke laag viel.

Bron: weer.nl